Windt Le Grand Leeuwenburgh Advocaten

Artikel 2:290 BW; het uitkeringenregister voor stichtingen dat met het UBO-register is ingevoerd, is onnodig

Bij de wet waarmee het UBO-register is [1] ingevoerd is ook een nieuwe bepaling voor stichtingen in Boek 2 BW ingevoerd: artikel 2:290 BW. [2] De bepaling is op 8 juli 2020 in werking getreden. Deze nieuwe bepaling heeft geen rechtstreekse betrekking op het onderwerp ultimate beneficial owner (UBO). Het nieuwe artikel luidt als volgt:

“1.        Het bestuur van de stichting houdt een register bij waarin de namen en adressen van alle personen worden opgenomen aan wie een uitkering is gedaan die niet meer bedraagt dan 25 procent van het voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar, alsmede het bedrag van de uitkering en de datum waarop deze uitkering is gedaan.

2.          Het register wordt regelmatig bijgehouden.” [3]

Overtreding van dit artikel is een economisch delict.

De regering (de minister van Financiën was de verantwoordelijk minister voor deze wetswijziging) [4] heeft de volgende redenen gegeven voor invoering van artikel 2:290 BW: “Met deze specificatie zijn deze gegevens makkelijker raadpleegbaar voor de Belastingdienst en belastingautoriteiten uit andere jurisdicties. Aanleiding om de bestaande administratieverplichting van alle begunstigden van stichtingen in de wet te specificeren, is de door het OESO Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes (Global Forum) in 2011 uitgevoerde peer review van Nederland. Daarbij is beoordeeld in hoeverre Nederland voldoet aan de internationale standaarden voor het uitwisselen van informatie voor belastingdoeleinden op verzoek van belastingautoriteiten in andere jurisdicties. Deze beoordeling richt zich op de aanwezigheid van betrouwbare informatie, die voorzienbaar relevant is voor de belastingheffing van een andere (verzoekende) jurisdictie en de mate waarin die informatie tijdig beschikbaar gemaakt kan worden. Het Global Forum concludeerde in het peer review rapport uit 2011 dat de beschikbaarheid van informatie over de begunstigden van stichtingen in Nederland niet in alle gevallen gewaarborgd is. In het kader van de tweede ronde van peer reviews medio 2018 is Nederland hierop opnieuw gewezen door voornoemde organisatie.” [5] De reden voor het opnemen van een overtreding van artikel 2:290 BW als economisch delict is de volgende: “Volledigheidshalve is naast artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek ook de specificatie in artikel 2:290 opgenomen in de Wet op de economische delicten.” [6]

Artikel 2:290 BW is onnodig en onbegrijpelijk. Handhaving en vervolging van een eventuele overtreding van dit artikel zal waarschijnlijk onmogelijk zijn. Wij bespreken de volgende elementen van dit artikel:

  • het artikel is onnodig omdat er geen reden voor brede invoering is en artikel 2:10 BW materieel een vergelijkbare verplichting bevat;
  • onduidelijk is wat bedoeld wordt met het begrip “uitkering”;
  • het is niet duidelijk wat het “voor uitkering vatbare bedrag” bij een stichting is; en
  •  de in het artikel genoemde grens van 25% is arbitrair.

Lees het volledige artikel hier

1. Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten, wet van 24 juni 2020, Stb. 2020, 231.
2. Besluit van 3 juli 2020, Stb. 2020, 232.
3. Artikel 1 Wet op de economische delicten onder 4. 
4. Het wetsontwerp “Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden” is medeondertekend door de minister van Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat. De in het parlement ingediende memories en nota’s zijn door de minister van Financiën ondertekend. 
5. Kamerstukken II 2018/19, 35179, nr. 3, p. 44 en 45 (MvT). 
6. Kamerstukken II 2018/19, 35179, nr. 3, p. 46 (MvT). 

Over dit bericht

Plaatsingsdatum: 19 januari 2021
Gepubliceerd in: Ondernemingsrecht 2021/19
Auteurs